Het Iraanse intellectuele landschap: van steun naar kritiek

Door: Ramin Jahanbegloo

Ramin Jahanbegloo werd geboren in Teheran, studeerde aan Sorbonne (Fr) en Harvard en is momenteel professor Political science aan de universiteit van Toronto. Voor zijn opvattingen werd hij in 2006 door de Iraanse autoriteiten opgepakt en zat hij vier maanden in de beruchte Evin gevangenis van Teheran.

Hij brengt in dit artikel het intellectuele landschap van Iran in kaart. Een uitgebreide versie van dit artikel is te lezen in Eutopia.

In de afgelopen dertig jaar heeft de Iraanse revolutie van 1979 overal ter wereld veel aandacht gekregen, van geleerden en intellectuelen, maar ook van beleidsmakers en journalisten. De omwenteling werd door menigeen gezien als een opstand tegen de seculiere moderniteit van het Westen, en sommige westerse denkers verwelkomden haar als een overwinning van spirituele waarden op het wereldse karakter van het kapitalistische materialisme. Voor anderen was de revolutie van 1979 een protest tegen de politieke rationaliteit van de moderne tijd.

Eigenaardig genoeg vond menigeen dat de Iraanse revolutie, ondanks de escalatie van  politieke geweld, kon worden begrepen als een stap voorwaarts naar emancipatie richting moderniteit en vrijheid. Hoewel het concept ‘vrijheid’ eigenlijk centraal stond,werd het amper in het Iraanse politieke systeem geïnstitutionaliseerd en bleef het onzichtbaar.

Toen de revolutionaire beweging in 1978 begon en de sjiietische geestelijkheid al spoedig zichtbaar werd als drijvende kracht, was het moeilijk om een intellectueel te vinden die het anti-intellectuele, antimoderne en antiwesterse karakter van de revolutie die op handen was in twijfel trok. Zelfs degenen die op zeker moment dicht bij het regime van de sjah stonden (als ambtenaar of hoogleraar, bijvoorbeeld) voelden zich aangetrokken tot het revolutionaire elan. Dit verklaart ook waarom er nauwelijks sprake was van een fundamentele kritische houding bij de Iraanse intellectuelen tegenover de islamitische revolutie, laat staan dat ze de nieuwe machthebbers de waarheid wilden vertellen. Als gevolg hiervan fungeerde de intellectuele klasse in de eerste periode van de revolutie overwegend als een zwakke en ondergeschikte bondgenoot van de islamistische krachten.

Supporters en slachtoffers

Niettemin kan men in het revolutionaire Iran van 1979 binnen de intellectuele klasse twee hoofdgroepen onderscheiden: zij die de Iraanse revolutie steunden en zij die er het slachtoffer van werden. Tot deze tweede groep behoorden de minder radicale en minder politieke intellectuelen die op grond van hun progressievere opvattingen al snel een veel toleranter en democratischer discours voorstonden (zoals Mostafa Rahimi en Shahrokh Meskoob), of die als volgelingen of sympathisanten van het regime van de sjah bekend stonden (zoals Daryush Shayegan en Jamchid Behnam). Zij waren onder de eersten die na de omwenteling uit de politieke, sociale en culturele sfeer werden gebannen: menigeen was overgeleverd aan culturele vervolging of voelde zich gedwongen Iran verlaten en te kiezen voor ballingschap in Europa, in steden als Parijs, Londen of elders. Deze niet-revolutionaire intellectuelen werden geconfronteerd met een publieke ruimte die werd gekenmerkt door een ideologisch, anti-intellectueel discours dat was doorspekt met islamitische en marxistisch-leninistische slogans. Aan het begin van de jaren negentig kregen ze bovendien te maken met de opkomst van een derde rivaliserende groep, de zogeheten ‘godsdienstige intellectuelen’. Tijdens de Iraanse presidentsverkiezingen van 1997, meer dan vijftien jaar na het ontstaan van de Islamitische Republiek, zou deze groep van godsdienstige intellectuelen, zoals Mohammed Khatami, de aanzet geven tot de hervormingsbeweging.

Morele verantwoordelijkheid

Wanneer we teruggaan naar de eerste jaren van de Iraanse revolutie, dan is de centrale vraag voor de historicus van hedendaags Iran: waarom schaarden de meeste Iraanse intellectuelen zich achter de revolutie en hielden andere zich stil? Het antwoord heeft te maken met de afwezigheid van ‘morele verantwoordelijkheid’ bij diegenen die we kunnen aanduiden als de ‘revolutionaire intellectuelen’. Deze revolutionaire intellectuelen steunden de revolutie om twee redenen. Ten eerste, vanwege de verleiding die uitgaat van het concept ‘revolutie’ en al wat daarbij hoort. Dit ging in hun geval samen met ‘utopisch idealisme’ en een innig besef van ‘politieke romantiek’, dat in de jaren zestig en zeventig onder linkse intellectuelen in Iran zeer gangbaar was. De revolutionaire zoektocht van linkse intellectuelen in Iran werd echter gekenmerkt door een reeks politiek-strategische en filosofische tekortkomingen. Hun ideologische preoccupaties met de culturele en politieke dimensies van de Iraanse werkelijkheid waren, met andere woorden, gekoppeld aan een gebrek aan systematische, samenhangende analyse van de Iraanse geschiedenis en de westerse filosofische erfenis. Veel van deze ideologische attitudes komen tot uitdrukking in de linkse intellectuele literatuur van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig. Deze werken waren hoofdzakelijk geschreven om een revolutionaire boodschap over te dragen gebaseerd op een proces van utopisch denken, niet om de zaak van het kritisch denken als kenmerkend element van de intellectuele moderniteit te dienen.

Ten tweede ambieerden veel prorevolutionaire intellectuelen zelf strategische posities binnen de nieuwe revolutionaire Iraanse samenleving. Als gevolg van de intellectuele zuiveringen aan universiteiten en bij overheidsinstanties ontstond er ruimte voor nieuwe mensen en nieuwe denkwijzen. Na verloop van tijd bleek echter dat alleen zij die dicht bij het regime stonden en geen gevaar voor dat regime waren een vaste plek binnen de door de overheid gecontroleerde instellingen wisten te bemachtigen.

Al Ahmad syndroom

De revolutionaire intellectuelen die trouw bleven aan het islamitische regime ontwikkelden bij uitstek een instrumentele kijk op de islam als een mobiliserende politieke ideologie. Zij probeerden de kloof tussen intellectuelen en geestelijkheid te dichten die door de moderne instellingen tijdens het regime van de sjah was gecreëerd. Deze filosofisch-politieke houding, die men het ‘Al-Ahmad syndroom’ kan noemen, is te beschouwen als het eerste anti-intellectuele discours dat in Iran door een moderne intellectueel werd uitgewerkt. Jalal Al-Ahmad werd in 1923 als zoon van een sjiietische geestelijke in Teheran geboren. Als jongeman was hij actief betrokken bij de Tudeh-partij (‘Partij van de Massa’), vooral tussen 1944 en 1948, totdat de partij door het Pahlavi-regime werd gedwongen ondergronds te gaan. Tussen 1951 en 1953 steunde Al-Ahmad de nationalistische regering van Mohammed Mossadeq. Na diens val fungeerde hij echter als de onofficiële spreekbuis van de dissidente intelligentsia van de jaren vijftig en zestig. In deze rol schreef hij essays, romans en verhalen en uitte vlijmscherpe kritiek op het bewind van de sjah. Al-Ahmad is het meest bekend geworden door zijn polemische essay Occidentosis (Gharbzadagi), en had grote invloed op de sociaal-culturele debatten in zijn land. Zijn Iraanse collega’s, die zich net als hun westerse rolmodellen inzetten voor het democratiseringsproces van hun land, zette hij neer als verraders. Immers, omdat de Iraanse intellectuelen in een ondemocratische staat leefden (die van de sjah), steunden zij indirect het heersende systeem van censuur. Hoewel Al-Ahmad niet lang genoeg zou leven om getuige te zijn van het resultaat van zijn intellectueel radicalisme, beschouwde de Islamitische Republiek hem als het prototype van de Iraanse ‘geëngageerde intellectueel’, die het revolutieproces vooruit had geholpen.

Godsdienstige intellectuelen: hervormers en neoconservatieven

Omdat zij geen maatschappelijke kaders wisten te construeren slaagden de revolutionaire intellectuelen er niet in om alternatieve verhalen of politieke perspectieven te bieden voor het dominante discours van de Iraanse revolutie. Hiertegenover staan de ‘godsdienstige intellectuelen’ van de jaren negentig, die juist veel moeite deden om de oude botsing tussen moderniteit en traditie te heroverwegen en vanuit een nieuw perspectief te doordenken. Tegenwoordig zijn deze godsdienstige intellectuelen in Iran verdeeld in twee kampen: de hervormers en de neoconservatieven. In het hervormingsgezinde kamp zitten mensen als Abdolkarim Soroosh, Mohsen Kadivar, Alavi-Tabar, Hasan Yousefi Eshkevari, Mojtahed Shabestari en vele anderen. De gezamenlijke visie van deze intellectuelen heeft onder meer betrekking op erkenning van het belang van hervormingen binnen het islamitische denken, democratie, civil society en godsdienstig pluralisme en hun oppositie tegen de absolute heerschappij van de faqih.

De opmars van de godsdienstige intellectuelen kan worden gevolgd aan de hand van de geschriften van Soroosh. Zijn hoofdgedachte is dat er onveranderlijke, eeuwige godsdienstige waarheden zijn, maar dat ons begrip ervan afhankelijk blijft van onze kennis van wetenschap en filosofie. In tegenstelling tot Ali Shariati, die zich tot het marxisme wendde om een historistisch perspectief toe te voegen aan het sjiietische denken, stelt Soroosh de verhouding tussen democratie en godsdienst ter discussie en bespreekt hij de mogelijkheid van wat hij ‘islamitische democratie’ noemt.

Volgens Soroosh, die momenteel in Engeland woont, is het de taak van de filosoof om te proberen godsdienst en vrijheid met elkaar te verzoenen, een begrijpelijke nieuwe definitie van religie te geven en democratie en godsdienst aan elkaar te koppelen. De afgelopen tien jaar heeft hij geprobeerd zijn medeburgers ervan te overtuigen dat het mogelijk is om moslim te zijn en te geloven in democratie. Soroosh postuleert twee opvattingen van godsdienst, een ‘maximalistische’ en een minimalistische. In de maximalistische opvatting moet volgens hem alles van de godsdienst zijn afgeleid. De meeste van de huidige problemen in de islam hangen met deze opvatting samen. De minimalistische kijk impliceert dat sommige waarden niet aan de godsdienst kunnen worden ontleend, zoals respect voor mensenrechten. Voor Soroosh moet de maximalistische visie op godsdienst worden vervangen door een minimalistische, anders is er geen evenwicht mogelijk tussen islam en democratie. In zijn ogen hoeven er in een democratische islamitische samenleving geen islamitische normen van bovenaf te worden opgelegd.

Anders dan de hervormingsgezinde godsdienstige intellectuelen zijn de neoconservatieve intellectuelen in Iran voor de heerschappij van de ‘opperste gids’ (faqih) en tegen concepten als democratie, civil society en pluralisme. Tot deze beweging behoren figuren als Reza Davari-Ardakani, Qolam-Ali Haddad Adel en Mehdi Golshani. De beroemdste onder hen is echter Reza Davari-Arkani, die als antiwesters filosoof zeer vertrouwd is met het werk Martin Heidegger. In tegenstelling tot Soroosh ontleent hij bepaalde aspecten aan Heideggers denken, hoofdzakelijk zijn kritiek op de moderniteit, en plaatst ze in een islamitisch kader. Hij verwerpt het westerse model van democratie dat is gebaseerd op de scheiding van politiek en godsdienst. Als president van de Iraanse Academie van Wetenschap kan Davari-Ardakani wel gezien worden als de filosofische spreekbuis van het islamitische regime. Gedurende de afgelopen dertig jaar wordt het Iraanse intellectuele domein overigens gekenmerkt door een spanningsveld tussen twee overheersende tendensen. Enerzijds is er de golf van kritiek op moderniteit en democratie en het pleidooi voor terugkeer naar zuivere Iraanse en islamitische tradities. Maar anderzijds bestaat er ook een zachtere tendens die zich in de jaren negentig aandiende onder islamitische volgelingen van de revolutie, waarbij men op zoek gaat naar een islamitisch antwoord op de problemen van moderniteit en democratie.

Nieuwe generatie: postrevolutionaire intellectuelen

De hervormingsgezinde en neoconservatieve godsdienstige intellectuelen domineren overigens geenszins het gehele Iraanse publieke domein. Er is een nieuwe generatie Iraanse intellectuelen die geen poging onderneemt om wat voor ideologie dan ook te verspreiden en er evenmin op uit is om in Iran een islamitische democratie te vestigen. Desondanks ondermijnen zij de voornaamste filosofische en intellectuele concepten van de gevestigde orde. Deze generatie bestaat hoofdzakelijk uit seculiere, ‘postrevolutionaire’ intellectuelen zoals Javad Tabatabai, Babak Ahmadi, Hamid Azodanloo, Moosa Ghaninejad, Nasser Fakouhi en Fatemeh Sadeghi, veertigers en vijftigers die men ook wel kan aanduiden als de ‘dialogische intellectuelen’ (tegenover de revolutionaire intellectuelen uit de jaren zeventig en begin jaren tachtig). Voor deze nieuwe generatie intellectuelen biedt dialoog, zowel als concept als in de praktijk, een ontologische kapstok voor uiteenlopende politieke en culturele betekenissen en inzichten.

Het doel van deze ‘dialoogcultuur’ is om de ander niet langer op te vatten als een ‘vijand’ (die moet worden overwonnen, hetzij als individu of als sociale klasse), maar om volledige erkenning van de ander als subject te bevorderen. In dit verband bestaan er naast elkaar verschillende intellectuele attitudes die zijn gericht op het vinden van een intersubjectieve basis voor moderniteit en democratie. De poging van deze nieuwe generatie Iraanse intellectuelen om voorbij te gaan aan allesomvattende ideologieën weerspiegelt hun wantrouwen ten aanzien van iedere metafysisch gemotiveerde vorm van monistisch denken.

Wellicht wordt de moderniteit voor het eerst sinds Irans ontmoeting met het Westen eindelijk gezien als een proces dat ons iets zou kunnen leren ter bevestiging van onze eigen identiteit, zonder dat wij bang hoeven te zijn om de erfenis van de moderne tijd als de onze te moeten erkennen. Door te blijven bijdragen aan die dialogische uitwisseling met de moderniteit bevrijdt de nieuwe generatie Iraanse intellectuelen zichzelf van de intellectuele chantage van het ‘voor of tegen het Westen zijn’. Van dichtbij gezien worden dingen complexer en ziet men de moderniteit niet meer als een package deal, maar als doelgerichte uitnodiging de vraagstukken van onze tijd op te lossen.

Culturele kritiek in plaats van ideologische politiek

De notie ‘ideologie’ zelf heeft onder de nieuwe generatie Iraanse intellectuelen veel aan waarde ingeboet en is deels debet aan de crisis van politieke legitimering in Iran. Deze crisis wordt gevoeld als een vacuüm dat is ontstaan door de ontologische en politieke mislukking van credo’s als het marxisme-leninisme en het islamitische fundamentalisme. Dit vacuüm wordt momenteel gevuld door het begrip ‘civil society’ dat kan dienen als een conceptuele en praktische sleutel tot overgang naar democratie in Iran. Dit concept wordt tegenwoordig in de literatuur van de nieuwe generatie Iraanse intellectuelen niet alleen als een institutioneel pakket gebuikt, maar ook en vooral als een bepaalde manier van denken en politiek gedrag.

Als categorie is civil society voor de nieuwe generatie Iraanse intellectuelen van werkelijk belang: als kritisch instrument en als regulatief beginsel voor democratisering. Op dit niveau belichaamt de idee van civil society zoals besproken door hedendaagse Iraanse intellectuelen het debat over westerse moderniteit en het roept de vraag op van het belang van de historische ervaring van westerse politiek. Het gaat hier niet om de imitatie van democratische praktijken en instituties, maar om de mogelijkheid een algemene set van doelen en oogmerken te identificeren die door Iraanse intellectuelen juist wordt omschreven met behulp van ‘verantwoording’ en ‘verantwoordelijkheid’. Deze twee concepten kunnen een nieuwe complexiteit en scherpte toevoegen aan evaluaties van de moeilijkheden rond het overgangsproces naar democratie in Iran, zowel wat betreft het vaststellen van de voorwaarden ervan als het omgaan met de consolidering ervan. Zoals we uit hun werk kunnen opmaken, beschouwen Iraanse intellectuelen hun taak niet langer als een kwestie van ideologische politiek bedrijven, maar gaat het om de uitdrukking van kritische visies betreffende de antidemocratische en autoritaire aspecten van Iraanse politieke en maatschappelijke tradities.

Dertig jaar na de revolutie heeft de specifieke bijdrage van de nieuwe generatie Iraanse intellectuelen aan het Iraanse democratische debat niet zozeer betrekking op de vraag hoe te kiezen tussen moraal en politiek in een land waar dogmatisme en verwarring het gezonde verstand en fatsoen smoren. In plaats daarvan gaat het om de vraag hoe een politiek van verantwoordelijkheid te smeden op grond waarvan democratie werkelijke inhoud kan krijgen. Voor de nieuwe generatie Iraanse intellectuelen biedt de revolutie uit het verleden dan ook alle reden tot kritisch verzet in het heden.

Advertenties